Blanche Néel schrijft deze paar bladzijden in het jaar dat volgt op de bevrijding van Normandië. Haar getuigenis bevindt zich tegenwoordig in het documentatiecentrum van het aan WO II gewijde museum Mémorial de Caen, onder dossiernummer TE 201. Met de door ons toegevoegde titel ‘De gevangenisengel’ nemen we Blanche Néels eigen woorden over.
Ik ben op 3 februari 1944 aangehouden in Mortain. Ik nam de plaats in van mijn echtgenoot, die kon vluchten toen de Gestapo-agenten zich aandienden bij onze voorlopige woning1. Eerst werd ik gevangengezet in Saint-Lô en 48 uur later overgebracht naar de gevangenis van Caen.
Mijn eerste cel, waarvan ik het nummer ben vergeten, lag naast de cel van de Duitse bewaakster, en ik nam er de plaats in van mevrouw Desbouts. De medegevangenen met wie ik contact had waren: een Hollands meisje, juffrouw Dreabeck, mevrouw Caby de Villers-Bocage en een jonge Poolse vrouw van wie ik de naam ben vergeten. Later heeft de bewaakster me vaak van cel doen veranderen, maar tot mijn troost kon ik steeds met juffrouw Dreabeck samenblijven.
Mevrouw Caby is in april 1944 bevrijd, maar haar man is op 6 juni gefusilleerd in de gevangenis van Caen2.
Op 7 juni, toen de Duitsers ons hebben vrijgelaten, hebben ze juffrouw Dreabeck vastgehouden. Ze is naar Duitsland gedeporteerd en gestorven in Ravensbrück, op de dag dat het kamp door de Sovjettroepen werd bevrijd3.
Op 6 juni heb ik tijdens een corvee in de gang een Franse vrouw gezien, ondersteund door twee Duitse soldaten. Half in zwijm zei ze tegen me: ‘Ze gaan me fusilleren’.4 Ze werd meegesleurd naar de binnenplaats waar de Duitsers gevangenen neerschoten. Die vrouw, van wie ik niet weet hoe ze heette, moet in Caen in de Rue d’Auge hebben gewoond. Als ik haar moest geloven zou ze in contact hebben gestaan met een agent van de Gestapo.
P.-S.:5 Bij mijn weten hebben de Duitsers de vrouwen die moesten worden gefusilleerd niet in de vrouwenafdeling verzameld. Ze werden niet op een rij gezet. Het heeft er alle schijn van dat de gevangenisautoriteiten de vrouwen die ze wilden executeren hebben uitgekozen en dat ze één voor één uit hun cel zijn opgehaald. Een bewijs daarvoor vind ik in het feit dat ik maar één vrouw ben tegengekomen die naar de dood werd weggevoerd. Ons is verteld dat twee of drie vrouwen zijn gefusilleerd, ik heb daarvan geen bevestiging gekregen.
De vrouw die ik heb gezien had eerder aan gevangenen gezegd: ‘Ik ben per vergissing aangehouden. Ik ben niet ongerust. Ik ga hier niet lang blijven, mijn ‘vriend’ zit bij de Duitse politie, bij de Gestapo. Hij is een paar dagen geleden ‘op verlof’ naar Duitsland gegaan. Als hij terugkomt zal hij wel zorgen dat ik vrijkom.’
Alles wijst erop dat de Duitser van de Gestapo iets verkeerds of iets onhandigs had gedaan, dat hij in Duitsland was teruggeroepen, dat zijn ‘vriendin’ was aangehouden, die misschien ‘uit de weg werd geruimd’ omdat men bang was dat ze bepaalde vertrouwelijke zaken te weet was gekomen…
Na de executies heeft de Duitse bewaakster ons, natuurlijk zonder enige uitleg, de persoonlijke eigendommen van die vrouw geschonken. Die hebben we vanzelfsprekend geweigerd.
Ik heb de executies niet gezien, maar net als de andere gevangenen heb ik ’s ochtends de schoten gehoord, en ook ’s avonds weer, rond 16:00 of 17:00 uur (ze hadden onze horloges afgenomen…)6. ’s Avonds na de laatste salvo’s konden juffrouw Dreabeck en ik een raampje openen en op de binnenplaats kijken waar de executies hadden plaatsgevonden. We zagen Duitse soldaten die onder toezicht van een onderofficier de muren en een goot met ruim water wasten om bloedsporen te verwijderen. De onderofficier, die opkeek, zag ons, hij brulde ons iets toe wat we slecht begrepen. Natuurlijk beval hij ons het raam dicht te doen en te verdwijnen.
Tijdens de executies hebben de veroordeelden niet geschreeuwd, op één uitzondering na. Een man die op de binnenplaats werd geleid – en waarschijnlijk de lichamen van zijn al eerder terechtgestelde kameraden zag – huilde met wanhopige stem: ‘Nee! Nee! Mijn vrouw, mijn kinderen… Mijn kinderen.’ Er was een kort salvo…
’s Avonds heeft de bewaakster de deuren van onze cellen opengemaakt. Die vrouw, die zich tegenover de gevangenen gedroeg als een volslagen monster, was lijkbleek en duidelijk doodsbang.
Die ochtend had ze ons uit de hoogte, maar ook met een zekere trilling in haar stem gezegd: ‘De vijand is op de kust geland, maar hij is teruggeslagen…’ ’s Avonds was ze bijna vriendelijk, ze gaf ons een paar persoonlijke eigendommen terug en beklemtoonde: ‘Het Duitse leger is eerlijk.’
We wisten toen via de ‘gevangenistelefoon’, via wat we elkaar in de gangen toefluisterden, dat de Landing had plaatsgevonden. We hoorden trouwens het artillerievuur, de bombardementen en het reusachtige tumult van het nabije oorlogsgeweld. ’s Middags had er in de gevangenis een onrust geheerst die grensde aan ontreddering. De Duitsers verhuisden archieven, dossiers. Het was overduidelijk dat ze in de greep van paniek waren. Het middageten werd pas heel laat uitgedeeld. Er was geen avondeten, want nadat de deuren van onze cellen waren geopend, werden we in de ronde hal van de gevangenis geleid (die een glazen koepel had). We werden in de rondte opgesteld met ons gezicht naar de muur en een spreekverbod. We hebben daar uren van verschrikkelijke angst uitgestaan. Juffrouw Dreabeck bidde zachtjes om bescherming, de gevangenen beantwoordden haar gebed.
Die avond, om hoe laat weet ik niet precies, onderging Caen een vreselijk zwaar bombardement7. We moesten, samen met de bewapende bewaakster en bewakers, afdalen in een soort kelder, die door een lantaarn werd verlicht. Er was een strovuurtje. We mochten op de grond zitten. In de kelder werden enkele mannen binnengeleid – gevangenen. Een van hen zei tegen ons: ‘Ze hebben ons naar het busstation gebracht… Ze wilden ons waarschijnlijk allemaal meenemen naar Duitsland8. We hebben de motoren van de bussen naar de kl… geholpen. Ze zullen niet meer rijden.’
De bombardementen hielden aan, het lawaai van de slag duurde de hele nacht voort.
’s Avonds laat hoorden we, in de verte, het schieten van automatische geweren. De gevangenen zeiden: ‘Het zijn mitrailleurs, de Engelsen komen eraan.’ Ook de Duitsers hoorden het, en onze bewaakster – die vast dacht dat ze op haar beurt weleens gevangen kon worden gezet – was aardig geworden!!
Omstreeks 4 uur ’s ochtends moesten we weer naar boven en ons op het gelijkvloers in rangen van twee plaatsen. De poorten gingen open. Ik gaf een arm aan Juffrouw Dreabeck, die hardop bad. Men gebaarde ons dat we naar de binnenplaats, naar de straat moesten lopen… De Duitse bewaakster stond vlak bij de laatste poort en schudde glimlachend handen.
Toen Juffrouw Dreabeck en ik voor haar stonden, nam ze Juffrouw Dreabeck bij de arm en zei: ‘U, hierheen.’ Ik had maar net genoeg tijd om dat bewonderenswaardige, heldhaftige meisje – een heilige – te omhelzen, maar ik zou haar, helaas, nooit meer terugzien.
Wilde de bewaakster Juffrouw Dreabeck niet in Frankrijk vrijlaten omdat ze Nederlands was? Ik geloof het niet. Ik denk eerder dat de bewaakster een laatste, verfoeilijke wraak uitoefende. Juffrouw Dreabeck sprak vloeiend Duits. Keer op keer bepleitte ze, met ongekende moed, de bescherming van de gevangenen, uitte ze grieven en protesteerde ze tegen het verfoeilijke gedrag van de bewaakster.
Deze haatte ongetwijfeld dit meisje, dat tot de Nederlandse adel behoorde (ze was verwant met de koninklijke familie), dit meisje van wie de voornaamheid tot in de ellende van onze cellen voelbaar was. Ze haatte ook de geestkracht, de moed van een gevangene die, zelfs in uiterste nood, zonder macht, zonder gezag, uit naam van de gerechtigheid durfde te spreken. Daarom besloot de bewaakster haar naar andere gevangenissen en naar Duitsland te dirigeren. Ik heb gehoord dat Juffrouw Dreabeck onderweg een poging had gedaan om te vluchten door van een vrachtwagen te springen, maar dat ze door haar bewakers was ingerekend. Als we eerbiedig hulde brengen aan de gefusilleerden van de gevangenis van Caen, moeten we meteen ook een verdiende hulde brengen aan Dagmar Dreabeck, de vrouw die we in onze cellen ‘de gevangenisengel’ noemden9.
P.S.: De Duitse bewaakster woonde voor de oorlog in Stuttgart.